Weerzien met Tycho Brahe

In de zomer van 2009 maken Ron en Toos van Akkeren een tocht naar de Oostzee. Het reisdoel is het Zweedse eiland Hven in de Öresund, waar de Deense astronoom Tycho Brahe in het midden van de 16e eeuw zijn observatorium had. In 2001 bezochten ze voor de eerste keer het eiland, zij het met de pont vanuit Landskrona. Het eerste deel van de tocht, die in uw lijfblad in drie delen wordt beschreven, gaat via de Duitse waddeneilanden naar Bremerhaven.

Op donderdag 21 mei, Hemelvaardag, verlaten we in de ochtend de haven van de zeilvereniging Neptunus in Delfzijl voor onze tocht naar Borkum. Omdat we zelf geen ervaring hebben met het nemen van wantijen en het varen door met prikken bebakende geulen hebben we vrienden, die hier een ruime ervaring mee hebben en ook het Duitse wad goed kennen, gevraagd om het eerste deel van onze vakantietocht mee te varen.

Op de Eems is het nevelig maar met een 0Z0-wind 2 is het verder perfect weer.

Als we de Fisherbalje richting Borkum invaren laten we de Sporthafen Bahlmann vanwege de slechte berichten die we daar over gehoord hebben letterlijk links liggen en varen door naar de gemeentelijke Burkana-Hafen in de voormalige marinehaven. We vinden een plaatsje aan het ponton waar aan de andere kant het voormalige lichtschip ‘Borkumerrif’ ligt. Na een hevig onweer komt aan het eind van de middag de havenmeester op z’n electro-step langs. Het is een Zuid-Nederlander die, zo gaat het verhaal, zo’n 10 jaar geleden met zijn 2-masterzeiljacht de ´Cleone´ bij Borkum is gestrand en door de reddingsboot naar binnen is gebracht, daar is blijven hangen en er nu al vele jaren havenmeester is. Zijn schip ligt zwaar verwaarloosd op ´t droge voor zijn op een grote grasvlakte gelegen havenkantoor annex kroegje. Morgen naar Norden, de stad die op de vaste wal ten noordoosten van Greetsiel ligt.

Borkum – Norden
Met een lichte bewolking en een westenwindje 2-3 verlaten we om 6.45 uur Borkum; ruim 3 uur voor HW Borkum. Tja, tijvaren betekent soms ook vroeg varen. Een uur later buigen we op de Osterems naar het oosten af en passeren ons eerste wantij. Er staat nog zo’n 2.30 m water in de geul dus geen enkel probleem. We zien de eerste zeehonden van deze vakantie. Als we worden opgelopen door de garnalenvisser GRE1 zetten we een tandje bij om gelijktijdig de sluis van Leysiel te kunnen nemen, wat probleemloos lukt. Op onze tocht naar Norden ligt nog een sluis; die van Leijbuchtsiel. Net te laat voor de sluisgang van 10 uur komen we daar aan en de volgende is pas om 14.00 uur. Ik roep daarom de Leysielsluis maar op. De sluiswachter daar zegt dat hij z’n collega wel even zal bellen dat we ervoor liggen. En, ja hoor, die komt er al snel aan; zo gaat dat in Ost-Friesland! We betalen de vereiste € 5 en spreken af dat we morgen tussen 9 en 10 uur weer terug zullen komen.Via een vaart die sterk aan het Reitdiep doet denken komen we in Norden.

We leggen aan bij ‘t ‘Alte Zollhaus’ dat uitgebreid reclame maakt voor z’n Schnitzelparade à €7,80, maar waar maar plaats is voor maximaal 2 boten. Als ik tussen de palen door wil varen blijkt het daar erg ondiep te zijn en gebonk van de schroef geeft aan dat er rommel inzit. Na wat heen en weer varen is het geluid en hopelijk ook de rommel verdwenen.

Norden is de oudste stad van Ostfriesland; een stad vol historische gebouwen, waarvan er veel rond het met oude bomen voorziene marktplein liggen. Maar het is ook een stad met veel moderne winkelstraten. Kortom, een stad het bezoeken waard maar dan niet per boot maar per fiets vanuit Nordeich.

Norden-Greetsiel
Als we op weg naar Greetsiel weer bij de sluis aankomen is de sluismeester al aanwezig. Na het sluizen komt al snel Greetsiel in zicht. Bij het aanleggen in de mooie jachthaven blijkt dat nog niet alle rommel uit de schroef is, maar een paar keer krachtig voor- en achteruit varen blijkt succes te hebben. Greetsiel is een prachtig maar erg toeristisch plaatsje, met mooie houten garnalenkotters langs de kade en fraaie pandjes en heel veel eethuisjes in het stadje. Het is flink druk met toeristen; wat wil je ook met dit prachtige weer. Uitgelezen weer voor een fietstocht. In een rustig tempo maken we een rondrit vanuit Greetsiel; we zakken eerst af naar het zuiden om via de westelijk gelegen wadkant terug te keren. ‘s Avonds is het een dolle pret in het clubschip. De lucht is er blauw van de rook, het bier vloeit rijkelijk en een accordeonist zorgt met zijn zeemansliederen voor veel meezingen en -deinen. Aan ons niet besteed. We gaan op tijd naar bed want de volgende dag is er weer een vroege start, naar Juist.

Greetsiel – Juist
Om 8.30, 3 uur voor HW Greetsiel, varen we weer sluis van Leysiel uit. Via de Memmertbalje gaat het naar het droogvallende Nordland-Fahrwasser, dat al goed bevaarbaar is. Een stroom van schepen komt ons vanuit Juist tegemoet. Om 11.00 u liggen we al vast in de mooie jachthaven van Juist die vorig jaar in gebruik is genomen. Juist is een eiland zonder gemotoriseerd verkeer. Alles gaat per paard en wagen, zowel het transport van goederen als de toeristen. Samen met de vele huurfietsen bepalen ze het straatbeeld én de lucht. Want voor de somma van €3,10 aan toeristenbelasting pp mag je genieten van de overal aanwezige geur van paardenmest. Ook nu is het weer fietsen geblazen, zij het dat de fietsmogelijkheden beperkt zijn; één weg in de lengterichting van het eiland en dan heb je het gehad. Wandelaars en strandtoeristen hebben wat meer mogelijkheden. Als we in de haven terugkeren blijkt dat onze boot is drooggevallen en enige tijd later liggen alle boten op het slik. Maar, verder is het een prachtige haven en zijn kosten (en Europese subsidie) nog moeite (teakbanken op de wal en een prachtige uitkijktoren in de vorm van een opbollend zeil) gespaard. 2.45 Uur na Laagwater giert het water weer de haven binnen en korte tijd later drijven we weer.

Juist – Nordeney
De afstand naar Nordeney is maar 10 zeemijlen. Met een NW-wind 4 vertrekken we om 10.30 met zo’n 20 cm water onder de kiel. Een uur later zijn we bij het Memmert Fahrwasser waar we met een minimale waterdiepte van 2.30 m probleemloos over heenvaren. Via het Busetief vervolgens met stroom tegen het Riffgat in richting de haven van Nordeney waar we twee uur na ons vertrek de havenhoofden passeren. Het is nog steeds prachtig weer dus wordt ‘t weer fietsen. Eerst richting de plaats Nordeney, de oudste Duitse Noordzeebadplaats. Alles wordt steeds mooier; eerst Borkum met rondom de haven een wat verwaarloosde Oostduits aandoende uitstraling. Vervolgens Juist, een gezellig klein eiland en dan nu Nordeney met zijn mondaine badplaats aan de westkant. De weersvoorspelling van DPØ7 belooft niet veel goeds voor de komende dagen. Windsterkten 6-7 met zeer zware onweersbuien doen ons besluiten om de volgende dag maar over te steken naar Nordeich, dat ons wat meer mogelijkheden tot vermaak biedt dan een eiland.

Nordeney – Nordeich
Bij ons vertrek om 9.10 is de barometer al 17 mb gedaald ten opzichte van de dag ervoor. We hebben eerst nog wat stroom tegen maar eenmaal in het Busetief loopt de stroom flink mee en gaan op een gegeven moment zelfs 8,4 knopen. We zetten de motor zachter om niet te vroeg aan te komen. De gidsen geven aan dat je het beste de haven bij half tij kan aanlopen; de strekdam ervoor is dan boven water en er is voldoende vaardiepte.

Om 10.00, 2 ½ uur na LW Nordeney, komen we tussen de havenhoofden. Van de havenmeester krijgen we een prachtige plaats toegewezen waar we zeker 2 dagen kunnen blijven liggen. De wind trekt behoorlijk aan. We maken desondanks een fietstocht van zo’n 5 uur. Als we aan het eind van de middag in de haven terugkomen is de wind al toegenomen tot west 6 -7 Bf. De volgende dagen valt er noch te varen noch te fietsen. Het stormt behoorlijk en de veerboot naar Nordeney ligt aan de kade schuin in het water door de wind.

Nordeich – Langeoog
Na twee ligdagen kunnen weer varen! Als we 2 uur na LW Nordeney verlaten hebben we meteen een dikke stroom mee. De veerboot en vrachtboot naar Juist passeren ons. Om 13.50 komen we bij de prikken van het eerste ‘Wattfahrwasser’ aan. Een kwartier later, ongeveer 2 u voor HW hebben we de minste diepte; 1,40 m dus nog zo’n 30cm water onder de kiel. Rustig varen! Een uur later, 1 uur voor HW Nordeney, zijn we op het Baltrumer Wattfahrwasser. De geringste diepte is daar 1.30m; gaat dus ook net.

Als we de jachthaven van Langeoog binnenvaren is de havenmeester op z’n post. We krijgen een mooie plaats langs de hoofdsteiger. De waterdiepte is daar dan 3,60 m wat betekent dat we bij laagwater net wel of net niet vast komen te liggen. Het eerste zal het geval zijn. Het prachtige zonnige weer doet ons besluiten door het bos naar het dorp te lopen. Een tripje van zo’n 45 minuten. Ook hier weer volop toeristen, maar wat wil je, het is pinksterweekend. Afgewend van de mooie witte watertoren staat in de hoofdstraat een beeld met ‘Lily Marleen’ – zangeres Lale Andersen die in 1944 naar Langeoog vluchtte en daar onderdook – onder de lantarenpaal.

Langeoog – Wangeroog
2 ½ Uur voor LW Nordeney vetrekken we om 14.10 achter de pont aan uit Langeroog. We willen via het Neuharlingersieler Wattfahrwasser naar Wangeroog varen. We hebben meteen een dikke stroom mee dus ook nu de motor maar weer wat zachter gezet om er niet te vroeg aan te komen. De geul over het wantij is met rode palen als ‘prikken’ bebakend. Wat een luxe! Als we er overheen varen staat er op de ondiepste plaats nog 1,30m water. Om 16.00 uur zijn we bij het volgende wantij, dat van de Muschelbalje waar we een metertje meer onder de kiel houden. Als we een uur later in de haven van Wangeroog aankomen is die al flink vol. Overal langs de gastensteiger ligt het al meerdere schepen dik We leggen aan naast een Sturdy 41 en liggen prachtig beschut achter de basaltdijk van de haven en genieten van een prachtige zomeravond.

Wangeroog – Wangersiel
Zondag 31 mei. Onze laatste dag op het wad en weer stralend weer. Op advies van onze buurman veranderen we ons doel, de haven van Hooksiel, in de haven van Wangersiel (Horumersiel). Een goede haven aan de Jade die dichter bij de Noordzee ligt. Want, we zullen de dag erna een stuk naar buiten moeten om vervolgens de Wezer op te kunnen varen.

Na een flinke ochtendwandeling verlaten we om 15.00 de haven waarbij we even vastlopen omdat ik een onduidelijke prik aan de verkeerde kant neem. Met de motor nét in de vooruit varen we vervolgens door het Telegraphenbalje naar het Wangerooger Wattfahrwasser. We zijn er te vroeg; raken de grond en schuiven een tijdje over de plaat. Na passage varen we aan de oostzijde van Wangeroog langs de restanten van de oude ‘Ostanleger’, een aanlegplaats voor grote schepen die vanuit Bremerhaven en Wilhelmshaven kwamen. De aanlegplaats is in 1902 met financiering van de Norddeutsche Lloyd aangelegd. In 1958 is hij opgeheven en is nu een prachtige plaats waar jachten in de beschutting voor de noordelijke winden kunnen vastmaken. Het is er een drukte van belang. We komen bij het laatste wantij van deze waddentocht; het Minsemeroog Wattfahrwasser. We hebben nog steeds de stroom mee als we langs de prikkenrij van de geul naar de haven van Wangersiel gaan. Hij is moeilijk te volgen omdat we recht tegen de lage zon in varen. De enige open prik zie ik niet goed en vaar verkeerd. Vast dus, maar ook snel weer los. Om 18.00 uur liggen we vast in een box. Naast ons vindt het doopfeestje van de ‘nieuwe’ zeilboot van onze buurman plaats. Op de kant drinken de volwassenen hun glaasje; aan boord vliegt de jeugd door de gangboorden. Maar goed dat de boot er nog één uit de betere tijden van Dehler is. Als we op onze avondwandeling over het wad kijken is op de drooggevallen plaat duidelijk te zien waar ik een paar uur eerder in de fout ben gegaan.

Wangersiel- Bremerhafen
De lucht is weer wolkeloos en een lekker zonnetje schijnt als we 2 uur na HW uit Wangersiel vertrekken. Een Nederlandse tweemaster met oudere mensen aan boord vaart voor ons uit door de geul. De schipper ziet het kennelijk niet altijd even scherp want hij wil soms tussen de prikken door varen en bedenkt zich dan op het laatste moment. Op de Jade aangekomen hebben we een flinke stroom mee, bij net iets meer dan stationair lopen we nog 6,9 kn. We passeren het schip van de kustwacht dat bij de Mellumplate op z’n post ligt en steken bij de ‘Schütstelle’ over naar de geul van de Wezer. Daar krijgen een dikke stroom tegen, tot maximaal 3,5 kn. Harder varen is zinloos want we krijgen de stroom toch pas op het laatste moment mee. En, ‘t is prachtig weer al maakt een toenemende noordenwind ‘t water wel wat knobbelig.

Bij de containerterminal van Bremerhafen slaat de stroom om. En dan gaat ‘t snel; binnen de kortste keren varen we tussen havenhoofden van Bremerhaven de Geeste op waar we aan de drijvende steiger voor het Historisch Museum Bremerhafen vastmaken. Morgen binnendoor via het Noord-Duitse land naar Otterndorf aan de Elbe.

Binnendoor naar de Oostzee

De route via Bremerhaven binnendoor naar Otterndorf aan de Elbe is een mooi alternatief voor vaarders die niet ‘buitenom’ naar de Oostzee willen. Wel is het zo dat alleen schepen met een maximale hoogte van 2.70 meter en een diepgang minder dan 1,50 meter er gebruik van kunnen maken.

Om het risico te vermijden dat we net als vorige keer bij laag water in de smalle vaargeul op rommel stuiten varen we één uur na HW vanuit Bremerhaven de Geeste op. Na de Geestesluis slingert de rivier met zijn rijk bebloemde steile oevers zich door het Noord-Duitse weideland Via de Shiffahrtweg Elbe-Weser, het Luftkurort Bederkesa met zijn honderden meters aanlegplaatsen langs de oevers en het Hadelner Kanaal bereiken we na zes uur varen de sluis van Otterndorf. Sluizen lukt niet meer. De windvoorspelling voor de komende dagen varieert tussen 6 en 8 Bf uit het NW, reden om de komende twee dagen voor de sluis in de beschutting van de dijk te blijven liggen. De sluismeester heeft zelfs nog een stroomaansluiting in de aanbieding! De tijd waarop in Otterndorf gesluisd kan worden is afhankelijk van het tij op de Elbe en de diepte van de vaargeul er naar toe. Na twee dagen wachten varen we ‘s ochtends om 8 uur als eerste van de boten die zich in die twee dagen voor de sluis verzameld hebben de sluiskom in. De sluismeester, inmiddels de derde generatie die we daar meemaken, speelt net als zijn vader en opa weer voor sergeant-majoor; wijst ieder zijn plek en regelt alles met een stem of hij een luidspreker heeft ingeslikt. Door het gewelf van de sluis in de dijk gaat het via de Priel naar de Elbe en de sluizen van het Kielerkanaal bij Brunsbüttel. Het varen op het 110 kilometer lange Kielerkanaal is altijd weer een bijzondere ervaring. Zeeschepen varen vlak langs je heen zonder dat je er hinder van hebt, de pont bij Rendsburg verplaatst zich hangend aan kabels onder de brug over het kanaal en het landschap wisselt steeds. Ongeveer halverwege overnachten we in het Gieselaukanaal voor de sluis naar de Eider. Als we de volgende dag na de middag bij sluis Holtenau aan de Oostzeekant van het Kielerkanaal aankomen is het even wachten tot het witte licht knippert en we mogen invaren. Ik klim naar boven en betaal onze €18, kanaal- en sluisgeld. De wind is inmiddels tot NO5 aangetrokken en na passage van de lichttoren Friederichsort neemt de golfhoogte flink toe. Op weg naar de ingang van de Olympiahaven Schilksee bij de monding van de Kieler Bocht slingeren we ons door een veld Optimisten heen en de begeleidende reddingsboot maakt met zijn hoge golven het varen niet gemakkelijker. Eenmaal vast aan de gastensteiger slaan de golven over de ‘Steinmühle’ van de haven, maar er achter liggen we rustig. De volgende dag is het water tot 20 centimeter onder de steiger gestegen. Met een voorspelde golfhoogte van twee meter hebben we op de Westelijke Oostzee niets te zoeken en ik ga dan ook maar op zoek naar een plaats aan een drijvende steiger. Gelukkig is er nog één vrij met voldoende breedte. Het prachtige weer van de afgelopen drie weken is omgeslagen, regen en wind bepalen nu het weerbeeld. Toch gaan we de volgende dag op pad. Als we op de Westelijke Oostzee komen neemt de golfhoogte toe tot zeker 1,5 meter maar met wat schuin op de kop is het goed te doen. Dat wordt anders als we vanwege het militaire ‘Sperrgebiet’ onze koers moeten verleggen en de golven dwars krijgen. De lol gaat eraf, we keren om en surfen op de golven terug naar de haven.

Kieler Bocht – Faborg
Twee dagen later is de wind gedraaid naar een zuidelijke richting en vertrekken we om 6 uur ‘s ochtends richting Denemarken. De kust is nevelig en de flats van Dampf 2000 zijn vaag te zien. Een groot schip van de Kustwacht vaart richting de Schlei en gaat daar naar binnen. Plotseling horen we motorgeluid. Een rubberboot met twee agenten van de Kustwacht aan boord loopt ons op. Vriendelijke vragen ze of ze aan boord mogen komen. Vanzelfsprekend! Eén komt er aan boord; de ander blijft rustig naast ons varen. De paspoorten en scheepspapieren worden bekeken en dan begint voor de agent het papierwerk. Schrijvend vertelt hij ons dat het om een steekproefcontrole gaat en ze er iedere week een aantal moeten uitvoeren. Klinkt bekend! Ja, en als dat dan toch moet is een motorboot wat comfortabeler te controleren dan een zeilboot op één oor. Na een kwartiertje gaat hij weer van boord en wij verder langs de oostelijke landtong van Schleeswijk Holstein en om de westpunt van Kegnaes naar Høruphav. Een haven die we meestal aanlopen als de westelijke route naar Denemarken nemen. Het is een haven waar het goed toeven is, je kunt er mooi langs de kust wandelen en er zijn grote supermarkten op loopafstand. ‘s Avonds wordt zoals gebruikelijk is in Deense havens de wekelijkse wedstrijd gevaren. Het winnen ervan is bijna even belangrijk als het bierdrinken erna. De voorspelling van een noordwestenwind 6-7 voor de komende dagen doet ons besluiten via om Sønderborg en de Als Sund verder noordwaarts te trekken. De Sund is onder goede weersomstandigheden prachtig om te varen met zijn bossen en statige buitens langs de oevers. Nu, met nevel en regen is het een troosteloze bedoening. Bij Arnkilsøre verlaten we de Als Sund en varen de Augustenborg Fjord in naar Augustenborg. De regen neemt toe en de tonnen, ter grootte van uit hun krachten gegroeide Cola- en Seven Up-blikjes zijn soms moeilijk te zien. De haven is flink vol en ook nu is er weer net één box waar we qua breedte inpassen. We zitten met voorspellingen van NW 7-8 weer aan een paar ligdagen vast. Als gevolg van de wind zakt het waterpeil in de haven één meter en sommige zeilboten komen aan de grond te zitten. Tussen de buien door bezoeken we het park van het slot Augustenborg van de hertog van Augustenborg. Die heeft het echter zo’n 130 jaar geleden al verlaten. Nu is het een kliniek. Twee dagen later biedt een W5 weer mogelijkheden. Met een licht zonnetje varen we terug naar de Als Sund, langs Dyvig naar de westpunt van het eiland met als doel Faborg op Funen. Als we bij de Kleine Belt komen breekt de zon goed door en wordt het water spiegelglad. We zien de eerste bruinvissen, die met hun rugvin boven water sierlijk door het water golven. Een enkeling springt zelfs speels boven het water uit. In Faborg kiezen we de oude jachthaven die aan de kade van het stadscentrum ligt.

‘s Middags gaan we de stad in, het is er uitgestorven op deze zondagmiddag. Faborg is een oude vestingstad en de binnenstad wordt gekenmerkt door de veelkleurige vakwerkhuizen, vaak met karakteristieke binnenplaatsen. Bij de nieuwe jachthaven spreken we twee Belgen die bezig zijn hun Cornish Crabber af te laden. Ze doen mee met een tocht van Europese ‘Crabbers’ en gaan morgen naar Marstal op Aerø; wij naar Aerøskøbing op hetzelfde eiland.

Faborg- Aerø
Met zon en een windje W5 vertrekken we uit Faborg. Als we op de Svenborg Sund komen krijgen we de stroom flink tegen en neemt de golfhoogte door de stroom tegen wind toe. We zien de pont Svenborg- Aerøskøbing aankomen en minderen vaart zodat hij voor ons de smalle Højestene Løb in kan varen. In de luwte van de eilanden Skarø, Avernakø en Drejø varen we richting Aerø. Zo’n halve mijl voor de kust van Aerø gaat een Cornish Crabber voor ons uit; op de motor met dikke golven op de kop. Als we vlak na de middag de nieuwe jachthaven van Aerøskøbing invaren is daar nog volop plaats. Aeroskøbing was al in middeleeuwen een bloeiende havenplaats die in 1522 stadsrechten kreeg. Nu is het een toeristische trekpleister van de eerste orde vanwege zijn vele straatjes met ‘Gamle Huse’ (oude huisjes) en een plaveisel van kinderkopjes waar nauwelijks op te fietsen is.

We hebben nog een hele middag voor ons en besluiten om maar weer eens een stukje te gaan fietsen. Eerst in noordelijke richting tegen de wind in langs de oostkust het eiland met de fleurig gekleurde strandhuisjes aan het strand en via de westkust terug. Als we aan het eind van de middag terugkomen in de haven blijkt dat we het havengeld aan een automaat moeten betalen. Het wordt steeds onpersoonlijker in de Deense havens; zag je vroeger de havenmeester meestal alleen als hij het havengeld op kwam halen, hier zie je hem dus helemaal niet meer. Wel ligt er deel 2 van de ‘Sjelerens’ in het havengebouw, een soort havenboek in het Deens en Duits dat gratis te krijgen is in de meeste Duitse en Deense havens. Vraag ernaar of neem het mee!

Ook de volgende dag blijven we op Aerø. Het eiland dat zo’n 19.000 jaar geleden gevormd is door opstuwing van ijs is al meer dan 10.000 jaar bewoond. Net als Drenthe heeft het hunebedden, zestien, waarvan we er op onze fietstocht naar Marstal aan de zuidkant van het eiland drie passeren. Het hunebed bij Kragneas stamt uit de ‘Boerensteentijd’ en is van 800 tot 2400 voor Chr in gebruik geweest. In 1974 is het onderzocht en gerestaureerd; je kunt er zelfs in. Als we langs de haven van Marstal fietsen, zien we de laatste Cornish Crabbers vertrekken op weg naar onze haven. Bij terugkomt liggen de eerste er al en tegen de avond ligt de andere kant van onze steiger vol met deze bootjes bevolkt door Engelsen, Denen, Duitsers, een Italiaan, Nederlanders én onze Belgen uit Faborg.

Aerø – Agersø
Van Aeroskøbing gaat het met een lekker zonnetje richting Rødkøbing en vandaar omhoog langs de oostkust van Funen. Het oorspronkelijke idee Sjaelland (Zeeland) via de noordkant te ronden hebben we laten varen. Vanwege de windvoorspelling voor de komende dagen besluiten we om via de zuidkant van Sjaelland naar Kopenhagen te gaan.

We ronden de noordkant van het eiland Langeland. In de verte zien we twee grote schepen onder de brug die Jutland met Sjaelland verbindt onze kant op komen. We sturen langs de geul en gaan achter de schepen langs. Tussen de eilanden Agersø en Omø door varen we naar ons einddoel van die dag, de haven van Agersø waar we al vele keren met plezier hebben gelegen. Na deze flinke tocht gaan we een rustdag nemen. Behalve rust moet je trouwens niet veel verwachten op het eiland; de bakker heeft sinds ons vorig bezoek zijn deuren gesloten maar gelukkig ‘leeft’ de kleine ‘Købman’, het zelfbedieningswinkeltje, nog.

Agersø -Kopenghagen

Vanuit Agersø vertrekken we vanwege de toenemende wind en de verwachte golfhoogte van 2 meter al ‘s ochtend om 7.45 naar Kalvehave, een havenplaats net om de zuidpunt van Sjaelland. Als we onder de eilanden Agersø en Omø door op het Smålandsfarvandet komen, krijgen we de volle wind en golfslag. De windrichting is verkeerd en we gaan wat kruisen. Het weer verslechtert, de lucht wordt grijzer en dreigender en net als we onder de brug bij Vordingsborg door zijn en dwarsuit door een smalle vaargeul moeten, barst de bui met veel regen en wind los. Goed dat we een kaartplotter en radar hebben die hun werk goed doen. Maar net zo snel als de bui gekomen is verdwijnt hij weer en het zonnetje schijnt al weer als we Kalvehave binnenvaren. Ook Kalvehave heeft als plaats niet veel te bieden; qua voorzieningen houdt het met het mooie oude hotel Feargegaarden aan de haven, een kleine zelfbedieningszaak en een pinautomaat op. Maar het heeft wel een unieke rotonde waar op nautische wijze de verkeersregeling is aangegeven. De omgeving gaan we de volgende dag verkennen; Toos heeft een tochtje van 25 km uitgestippeld langs Langebaeck met zijn typisch Deense witte kerkje dat vanaf het Ulvsund, het vaarwater tussen Vordingsborg en Kalvehave, al goed te zien was – en langs het piepkleine haventje van Petersvaerft – een belangrijke scheepswerf in de tijd dat de Denen met de Engelsen in oorlog waren – maar nu verdwenen is.

Vanuit Kalverhave gaan we op weg naar Køge; we passeren het eiland Njord, dat met zijn leuke kleine haventje een bezoek waard is. Via de goed bebakende smalle Bøgestrom, met hoog opgroeiende waterplanten vlak naast de vaargeul, komen we op het diepere water van de Fakse Bucht met tussen Rødvig en Stevns indrukwekkende kliffen met diep ingesneden onderkanten. Het oude kerkje van Højerup staat boven op de klip en wordt door een betonwand ondersteund omdat het anders in zee zou storten.

Als we op weg naar Køge op de kaart van Kopenhagen kijken zien we ineens dat in de westelijke doorgang langs het eiland Amager naar Kopenhagen een sluis zit die alleen voor beroepsvaart draait. We verleggen de koers naar de brug over de Sont op weg naar de haven van Dragør. De pilot geeft aan dat we i.v.m. de diepte het best in de oude haven van Dragør kunnen liggen maar als we die binnenvaren blijkt hij vol te zijn. Dus op naar de jachthaven, waar we aan de kopse kant van een steiger een prachtige plek vinden met uitzicht op de Sontbrug en het oude Dragør ford uit de oorlog 1910-1914.

De volgende dag is het maar een uurtje varen naar Kopenhagen. Het binnenvaren van Kopenhagen betekent goed opletten vanwege de grote hoeveelheid tonnen maar ook vanwege de vele rondvaartboten. Langs de ‘lille havfrue’, de klein zeemeermin uit het sprookje van Anderson, grote cruisschepen en het bij de marinekade afgemeerde koninklijke Deense jacht. naar de Christian Havn; de jachthaven die midden in Kopenhagen ligt. Als we de gracht (het kanaal) binnenvaren is het er propvol. Een man op de kant wijst ons een box aan maar die is rood dus varen we door. Op de terugweg (alles lag vol) keert hij het bordje om naar groen. Het blijkt de havenmeester te zijn. We passen maar net in de box; tussen de palen en de boot past alleen een dweil en oude pyjamajas. Het is erg warm en we stappen daarom meteen op de fiets om de stad te bezoeken. Vanwege de warmte en het feit dat we de volgende dag het midzomerfeest, dat hier Sankt Hans heet, in een kleine haven willen vieren vertrekken we de volgende dag al weer. Maar dat valt tegen. De haven Nivå, die we op het oog hadden, heeft maar twee vrije boxen en die zijn te smal. Dus terug varen naar Rungsted. In plaats van in een kleine haven komen we nu ineens in de grootste van Denemarken terecht; één met alles erop en eraan. Omdat we rond het middaguur binnenvaren vinden we nog een mooie plaats langs de kade voor het restaurant. Toos haalt bij het havenkantoor een fietskaart want ook nu is het weer te mooi om in de haven te blijven.

Als we in de haven terugkomen stroomt die al vol met Sankt Hans-gangers.Typisch eigenlijk om juist déze dag te vieren want de dagen gaan nu alleen maar korter worden. Op de stranden liggen overal takkenbergen die ontstoken zullen gaan worden. Maar daaraan voorafgaand is het vooral met familie en vrienden BBQ-en of picknicken met uiteraard voldoende drank. De BBQ-geur is dan ‘s avonds ook overheersend en bij alle eettentjes op de havenboulevard staan grote rijen wachtenden. In het restaurant naast ons gaat ‘t wat chiquer toe; het heeft daar meer weg van een Hollandse haringparty met bubbeltjeswijn en ons-kent-ons. Duidelijk wat zakelijke partijtjes. Zo tegen achten verlaten veel schepen de haven om het feest op het strand vanaf de boot gade te slaan. Negen uur ‘s avonds (één uur vóór zonsondergang!) worden de vuren al ontstoken en om 10 uur begint de grote uittocht naar huis al weer. Onze Zweedse voorbuurman vertelt dat het er in Zweden anders toegaat. Daar begint men om 10 uur en feest de hele nacht door. En, volgens zijn zeggen, vergeet men daarbij niet ‘het verdriet te verdrinken’. De volgende dag is daar in tegenstelling tot Denemarken dan ook een vrije dag.

Het mooie weer kan niet stuk. Onder een wolkenloze hemel varen we dan ook al om acht uur richting Helsingør. Voor Helsingør is het een komen en gaan van ponten die natuurlijk net de haven uit- en invaren als wij er langs komen. Maar met gas minderen en volle pot varen komen we er goed langs. Het slot Kronborg waar je vlak langs vaart op weg naar de jachthaven ligt prachtig in de zon. Van zeilvrienden hebben we gisteren een sms gekregen dat ze in Helsingør liggen. Bij het binnenvaren zien we ze direct liggen. Het is snikheet in de haven en na de koffie met Deens gebak besluiten we op te breken en samen naar Raå te varen, de Zweedse haven onder Helsingborg. Een flinke haven maar ook hier nauwelijks voldoende brede boxen. Gelukkig passen we net aan de kopse kant van een steiger voor een andere motorboot. Ook nu weer het gebruikelijke ritueel; de fietsen van onder de kuipvloer halen, uitvouwen en, op pad. We fietsen langs de kust naar Helsingborg. Veel mensen op het strand waar een flink aantal pieren loodrecht de zee in steken en als zwemsteiger dienst doen. Het VVV en de stad blijken niet veel te bieden te hebben dus maar weer rustig teruggefietst naar Raå. Het is inmiddels tijd voor het ‘happy hour’, oftewel gezamenlijk ‘ølen’ (bier drinken). Het wordt de laatste avond met onze vrienden. Zij gaan weer richting Denemarken, wij naar ons reisdoel Hven.

Het eiland Hven
Met een NNO-wind 3 vertrekken we om 8.45 richting Hven. Hoe dichter we bij het eiland komen des te groter de tegenstoom wordt die met 2 km/h tot flinke golven leidt.

Als we een uur later in de oosthaven van het eiland, Bächviken, aankomen is er nog 1 box vrij; het aanleggen langs de kant (zoals de pilot aangeeft) is niet toegestaan. Er staan flinke golven in de haven en er is een behoorlijke dwarswind. Maar we komen goed tussen de palen en onze Duitse buurman onderbreekt zijn ontbijt om onze landvast op de kade vast te maken. De ponten uit Landskrona, Helsingør en Kopenhagen varen in het kleine haventje af- en aan en storten elke keer honderden mensen uit die vervolgens op de gele huurfietsen het eiland over gaan. Wij doen dat op onze vouwfiets. Via de oostzijde langs de vuurtoren Haken en het haventje Norreborg naar de noordkant van het eiland. Na een flinke klim dalen we af naar de derde en mooiste haven van het eiland, Kyrkbacken. Het is tot onze verbazing rustig in de haven, nog plek zat én rustig water. Maar, het is ook nog pas 12 uur dus de hoos kan nog komen. Dan naar de boven op de heuvel gelegen witte St. Ibbs Kirka. De kerk uit 1200 was een van de vele startpunten voor de voettocht naar Santiago de Compostella in Spanje waar zich volgens de legende het graf van de apostel Jacobus bevindt. Tegenwoordig is het kerkje een museum. Er loopt een monnik in een witte habijt met blauwe capuchon rond maar ‘t is twijfelachtig of de habijt de lading dekt. Voor het kerkje eten we ons broodje en zien beneden het pontje de haven Kyrkbacken uitvaren. Hij werpt flink wat modder op in de verzande ingang van de haven.

Het volgende doel is het observatorium van de Deense astronoom Tycho Brahe. Hij kreeg het eiland Hven van koning Frederik II in 1576 (om hem voor Denemarken te behouden) om daar zijn observatoria Uraniborg en Stjerneborg te bouwen. Als we daar aankomen blijkt er nogal wat veranderd te zijn sinds ons vorige bezoek. Het ondergrondse deel van Stjerneborg is helemaal gerenoveerd wat het oorspronkelijke karakter behoorlijk teniet heeft gedaan. Ook het ernaast gelegen huis van de voorvaderen van onze Zweedse vrienden waarmee we het eiland in 2001 bezochten is sterk veranderd. De contouren van het kasteel van Tycho Brahe, dat voorheen in buxushaagjes was uitgebeeld is vervangen door haagboompjes van 1 meter hoog en de kerk is nu een museum. We bezoeken alleen de tuin en dalen dan af naar de haven; maken los en zetten koers naar Landskrona.

Slotwoord
Het verslag van deze tocht heb ik vrij gedetailleerd gemaakt om het gevoel te schetsen zoals wij de tocht beleefd hebben. Vijf en een halve week zijn we onderweg geweest van Delfzijl naar Hven en hebben daarbij een 950 km afgelegd. Na een bezoek aan onze vrienden in Landskrona zijn we de Zweedse westkust afgezakt en langs de oostkust van Denemarken om Møn naar Gedser gegaan. Daar overgestoken naar Kühlungsborn in Mecklenburg-Voor-Pommeren en de Wismarer Bocht ingevaren. Via Lubeck naar de Elbe en langs Hamburg weer naar Otterndorf. Vandaar binnendoor via Bremerhaven, Oldenburg, Emden en Delfzijl terug naar Friesland. Een tocht van eveneens nog eens vijf weken en 1150 kilometer.

Reacties zijn gesloten.