Kerstverhaal

De Ketelmannen

Het was koud, bitter koud. Een ijzig snerpende oostenwind joeg meedogenloos door de haven van Lauwersoog. We waren met de trein naar Groningen gereisd en gingen met lijn 163 van Qbuzz naar de veerhaven.

Vroeger vertrok de veerdienst vanaf de kleine haven van Oostmahorn, thuishaven van de legendarische reddingsboot Insulinde van Mees Toxopeus en het ging dan via de Zoutkamperlaag langs het Roode Hoofd en onder de Glinder door naar de Grote Siege. En dan ging het via de Siegewal, toen nog met de bijnaam ’Geul van Brakzand’ naar de oude pier en oude haven van Schiermonnikoog. Nu vaart de MS Rottum van Wagenborg Passagiersdiensten door naar de nieuwe pier. Ik heb in dat gebied lang gevaren en van het gebruik van deze mooie namen gaat altijd een zekere opwinding en nostalgie uit.

Maar ter zake. We hadden besloten om met een aantal familieleden en vrienden naar Schiermonnikoog te gaan met de Kerstdagen. Dit zouden we wel overleven, want ooit had mijn vader een los open haardje gekocht voor ons vakantiehuis. Dit kacheltje stond in de kleine woonkamer. De vier slaapkamertjes werden indien nodig wat bijverwarmd met een elektrisch kacheltje. Het was passen en meten, want we waren met twaalf personen, volwassenen, kinderen en kleinkinderen.

De tocht over het wad met de MS Rottum was ijzig koud. De zee tooide zich met sluiers van mist. Het was al tegen de avond en het water rond de passagiersboot lichtte op. Het was een mysterieus gezicht, veroorzaakt door micro-organismen. Wie het gezien heeft vergeet het niet meer, want het is altijd een fascinerende aanblik. De kinderen keken naar de hekgolven van het schip en raakten er opgewonden van. ’Hoe komt dat, opa?’ Ik probeerde het uit te leggen, maar het lukte niet erg goed. Diertjes, die licht geven, nou nee, daar leken ze niet in te trappen.

Eenmaal afgemeerd ging het met de bus naar onze vakantiebestemming. Het was er ijzig koud en toen we aankwamen inmiddels vrijwel donker. De meeste huisjes in de buurt hadden in deze tijd geen bewoners, dus het zag er wat somber uit. We scharrelden naar binnen en deden de lichten aan. Daarna pakten we stukken hout die al op maat waren gemaakt, en stopten die in het roestige kacheltje. Dat kacheltje was roestig, omdat we het brandhout altijd verzamelden op het strand, en omdat het wrakhout was zat er altijd veel zout in. We aten met z’n allen de meegebrachte stamppot andijvie en natuurlijk kregen we allemaal na het eten een warme kop chocola. Overal werden kaarsjes neergezet, er werd een kerstkrans aan de deur gehangen. De kamer was vol van jonge stemmen, vermengd met de conversatie tussen de ouderen. Vermoeid van de reis gingen we die avond op tijd naar bed.

De volgende dag was minder koud. De oostenwind hield zich gedeisd, en gelukkig had niemand de afgelopen nacht slecht geslapen vanwege de kou. We ontbeten met melk, thee, koffie, krentenbollen en mandarijnen en aan het eind natuurlijk voor ieder een snee van de meegebrachte kerststol. Iedereen trok een dikke jas aan en we maakten een wandeling naar het noorderstrand. Het was minder koud maar boven zee nog steeds nevelachtig. Het zicht was beperkt. We liepen met de hele groep zonder al te veel te zeggen naar de westkant in de richting van het vuurtorenpad. Mijn kleindochter bleef ineens staan. ’Ik hoor stemmen’ zei ze en wees in de richting van het westelijk Rif. ’Misschien zijn dat de Ketelmannen’, zei ik. ’Wat zijn dat, Ketelmannen?’, vroeg ze. Ik zei dat ik dat nog wel eens zou vertellen, misschien nog dezelfde dag.

We kwamen thuis en de grote tafel werd ingeruimd voor spelletjes. Er was veel eten ingekocht en meegenomen want het was kerstfeest en dan wordt er stevig gegeten. Ook wij konden natuurlijk in het kleine huis niet achterblijven. Mijn kleindochter dook bij me op schoot. ’Eten we altijd zoveel als de kaarsjes branden en het buiten zo donker is?’ ’Ja’, zei ik, ’maar niet iedereen heeft genoeg te eten. Met Kerstmis moet je ook denken aan andere mensen die niet veel of helemaal geen eten hebben’. ’Waar zijn die dan?’, wilde ze weten. ’Die zijn overal in de wereld’, zei ik. ’Waar is de wereld en is het daar groot?’ ’Ja’, zei ik, ’de wereld is heel groot en er wonen heel veel mensen’.

Ze vond de antwoorden gelukkig voorlopig bevredigend. Ook zij ging meedoen met de spelletjes en het was een gezellige boel. De ramen van het kleine huis waren beslagen en de dag vloog voorbij. ’s Avonds werd er gezellig gegeten met hazenpeper, puree, stukjes gegrilde kip en appelmoes voor de kinderen en natuurlijk alle lekkere dingen die met de kerst gebruikelijk zijn. De ouderen zaten aan de tafel, en de kinderen met het bord op schoot, want veel ruimte was er natuurlijk niet. Het haardvuur werd goed gaande gehouden en iedereen had het zichtbaar naar de zin. Toen kwam het kleine meisje weer naar me toe en zei: ’Je zou nog vertellen van de Ketelmannen.’ Ze bleef me lang aankijken, en ik kwam er niet meer onderuit, dat was duidelijk. ’Dat zal ik straks doen’, beloofde ik.

Haar moeder legde ondertussen uit dat haar dochtertje deze tijd heel verwarrend vindt en vertelde het volgende verhaal: ’We hebben drukke weken gehad. Er was van alles te doen. Ik heb twee weken geleden geprobeerd om aan Dominiek (haar inmiddels hierboven beschreven dochter van drie jaar) duidelijk te maken wat het verschil is tussen Sinterklaas en Kerstfeest. Ze is in het stadium van de ’waarom-vragen’. Ik ben er uren mee bezig geweest en was tevreden over het resultaat. Toch was het kennelijk nog niet helemaal gelukt. Toen ik aan het eind van de dag even naar boven was gegaan en weer thuis in de huiskamer kwam, stond Dominiek voor het raam en zong uit volle borst: ’Kindje Jezus kom maar binnen met je knecht’.’

Terug naar het kerstfeest. Na het eten probeerden we allemaal zo goed mogelijk een plaatsje te vinden rond de kleine haard. ’Ik heb beloofd dat ik het verhaal zou vertellen van de Ketelmannen. Als jullie het leuk vinden zal ik dat nu gaan doen.’ Er werd met instemming door iedereen gereageerd. Het grote licht ging uit, en alleen de kaarsen bleven branden. Toen iedereen stil was begon ik met mijn verhaal. Het is ontleend aan het verhaal zoals dit ooit door Louise Mellema werd opgeschreven. Het is een oude sage van het eiland Schiermonnikoog, zoals er zich vele wonderlijke en geheimzinnige zaken op het eiland hebben afgespeeld en misschien zich nog afspelen.

Ik begon: ’Op het breedste strand van ons eiland liepen in de koude noordoosten wind een viertal mannen in het duister rond. Ze hadden schipbreuk geleden en probeerden naar de bewoonde wereld te komen. Ze waren met hun schip gestrand op de gronden bij het Westgat, het zeegat tussen Ameland en Schiermonnikoog. Ieder die er gevaren heeft weet dat het hier echt kan spoken. Het strand is daar het breedste van Europa en het was zo donker dat de mannen de duinen niet konden zien. Menigeen heeft op het Rif, want zo heet de westkant van Schiermonnikoog wel een avontuur beleefd. De mannen waren door en door verkleumd en hadden zonder dat ze wisten waarom van hun schip een oude ketel meegenomen, die ze gebruikten als hoosvat. Het was nog in de morgen, maar de lucht was aardedonker en werd alleen maar donkerder en op de duur zelfs helemaal zwart. Spoedig daarna begon het te sneeuwen en de wind wakkerde aan.

De sneeuwval werd dichter en dichter. Overal om hen heen hoorden ze het geluid van woeste golven. Ze probeerden het bulderen van de zee achter zich te laten en kwamen uiteindelijk wat hoger op het strand. Daar werd de sneeuw vermengd met fijn stuifzand, zodat het pijn deed aan hun gezicht. Omdat de grond zachter werd en omdat hun laarzen nog vol zaten met het zoute water van de zee werd het steeds moeilijker om voort te bewegen. Ze bleven staan en overlegden wat ze nu zouden moeten doen. Het leek hen het beste om maar op te splitsen, twee bij twee. Het ene tweetal nam de ketel mee. Het andere tweetal liep zonder ketel verder in de andere richting.

Deze laatste mannen hadden geluk. Na een uur lopen bleef één van hen staan en luisterde naar alle geluiden. Ze hoorden nog steeds de zee, en nog steeds voelden ze het snijdende zand in hun gezichten. Maar in de verte klonk het luiden van een kerkklok. Ze grepen elkaar vast en stommelden moeizaam op het klanken van de kerkklok af. Deze klok werd zoals ooit ook de klokke Roelant altijd geluid als er zware storm was. Uiteindelijk zagen ze vaag de contouren van het dorp en ze wisten dat ze op de goede weg waren. Volkomen uitgeput en half bevroren kwamen ze in het dorp aan. Ze zagen door de ramen heen de gezelligheid van de herberg. Het was er druk. Ze strompelden naar binnen en vertelden hun verhaal aan de eilanders.

Deze schrokken toen ze hoorden dat er nog twee andere zeelui ergens moesten ronddwalen. Vele mannen uit het dorp werden opgeroepen en ze zochten verspreid over een breed gebied het strand af, zich steeds oriënterend op de misthoorn die één van hen bij zich had. Hun zoektocht leverde niets op. Wél vonden ze de volgende morgen de oude ketel, die de vermiste mannen bij zich hadden gehad. Sindsdien is het op het eiland een vaste gewoonte, dat als het donker wordt en de wind door de halmen van de duinen suist, de kinderen ophouden met hun spel en zorgen ze dat ze gauw naar huis gaan. Want de grote mensen hebben hen verteld dat de Ketelmannen, die nooit gevonden zijn, er nog altijd ronddwalen.’

Het was stil nadat ik het verhaal had verteld. Toen vroeg één van de andere kinderen: ’Als ze nu nog rondzwerven, moeten zij dan met Kerstmis ook niet wat extra te eten hebben? Je hebt zelf gezegd dat je met Kerstmis moet denken aan andere mensen die niet veel of geen eten hebben’. Ik kon hier natuurlijk niet anders op zeggen dan dat we inderdaad aan andere mensen moesten denken. ’Maar dan moeten we toch ook eten brengen naar de Ketelmannen?’ Ik wist niet goed hoe ik me hier uit moest redden en zei tenslotte met enige tegenzin dat inderdaad ook de Ketelmannen extra eten moesten hebben met Kerstmis. Je moet tenslotte consequent zijn. ’Hoe wil je dat dan doen?’, vroeg ik. ’Nou we brengen morgenmiddag gewoon eten en drinken naar ze toe en dat vinden ze dan ‘s nachts wel’. ’Maar ik weet niet waar ze zijn, dus waar moeten we dat neerzetten?’ ’Nou dan zetten we dat op het Rif en dan komen ze dat wel halen’.

De volgende morgen lag er een dunne laag sneeuw. We pakten een oude rieten boodschappenmand in met allerlei lekkernijen en met een warme maaltijd, die we in een pan hadden gedaan en omwikkeld met veel oude kranten. In het bijkeukentje vonden we nog een oude tuinfakkel. We vulden deze met petroleum en deden hem in een plastic zak. Tenslotte gingen we allemaal met elkaar op pad, door het dorp en naar het baken van het Rif. Het Rif was de grote brede vlakte die we kenden, maar nu dus met een witte sneeuwlaag. We liepen langzaam in westelijke richting naar de zee. Midden op de koude vlakte zagen we een oude pallet, die boven de sneeuw uitstak. We overlegden met de kinderen en vonden dat dit een goede plaats was om de mand met eten en drinken achter te laten. ’Dit is de plek waar de ketelmannen de kerstgift wel zullen kunnen vinden’, zei ik op ernstige toon. De oude tuinfakkel werd aangestoken en iedereen keek tevreden naar het resultaat.

De ouderen glimlachten naar elkaar. ’We hebben in ieder geval aan de kinderen laten zien wat de essentie is van kerst’, zei de oudste van onze vrienden. ’Dit zullen ze hun hele leven lang niet meer vergeten’. Tevreden over dit speelse opvoedkundige hoogtepunt van ons verblijf liepen we weer naar huis. We zongen kerstliedjes, gooiden sneeuwballen en hadden het tempo er goed in zodat we niet koud werden. Thuis wachtten ons warme appelflappen en oliebollen en we hadden weer een avond vol gezelligheid. ‘Zouden de Ketelmannen de mand wel vinden?’, vroeg mijn kleindochter. Ik zei ’Vast en zeker, want er staat toch een fakkel bij ?’ ’En is alles dan nog wel warm?’, wilde ze weten. ’Ja’, zei ik, ’alles is dan nog wel warm’. Kennelijk vond ze het goed, want de duim ging in haar mond en ze staarde in het haardvuur.

De volgende morgen, toen iedereen nog sliep, gingen we met twee mannen opnieuw op weg om de mand met alles er in weer op te halen. Natuurlijk mochten de anderen dat niet merken. Toen we uiteindelijk bij de mand aankwamen, deden we een onwaarschijnlijke ontdekking. De fakkel brandde nog, de mand stond er nog, maar de inhoud was geheel verdwenen. Er liepen twee duidelijke sporen vanaf de zee naar de plek waar de pallet lag en er liepen twee sporen ook weer terug naar de zee. Het waren afdrukken van grote zeemanslaarzen…

 

Eiso Vos

 

Reacties zijn gesloten.