Een buitengewone tocht door twee ‘lage landen’

Ivonne en Piet van Rooy (met de IJzeren Hein) en Fiet en Henk Heijne Makkreel (in de Scomber 3) maakten vorig jaar in juli een reis van ruim drie weken door Nederland en Belgie. Het werd een buitengewone tocht. Ivonne van Rooy schreef het reisverslag zoals u dat in dit en het volgend nummer van dit Clubblad aantreft. De meeste foto’s werden vanaf de Scomber 3 geschoten.

Vanuit ontmoetingsplaats De Kaag stuurden wij de schepen naar WV De Gouwe aan de Otwegwetering in Boskoop. Wij troffen daar splinternieuwe steigers aan, waarin als een soort trukendoos een goot verstopt ligt om elektrische bedrading onzichtbaar van schip naar meterkast te geleiden.

Met alle aanwezige open armen werden we ontvangen. De bestelde bitterballen werden aan boord afgeleverd en wij gebruikten daar met z’n vieren een maaltijd voor slechts Euro 24.50. Met nog een fietstochtje o.a. naar het Rosarium, dat gedurende deze tijd van het jaar zich van zijn mooiste kant liet zien, maakte dit alles onze eerste vakantiedag tot een onvergetelijke.

Rotterdam
Naar Rotterdam varen nam drieeenhalf uur in beslag. We zochten ligplaats in de Museum Haven. Hier waren wij nog nooit geweest. De naam van de haven doet mooier vermoeden dan de werkelijkheid is. Het ligt wèl centraal en bijna onder ‘Het Witte Huis’, ooit het hoogste kantoorgebouw van Europa. Het dateert uit om en nabij 1880/1890 en is op wonderbaarlijke wijze ontsnapt aan de bombardementen van Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. Helaas werkten de weergoden niet geweldig mee, maar zonder problemen bereikten we des anderen daags Numansdorp. De wind nam hand over hand toe tot kracht 7. Vanuit onze warme kooi luisterden we ‘s-nachts naar al dat geweld, opgeluisterd door ‘aanmoedigende’ hoosbuien; reden genoeg voor de kapiteins niet uit te varen. Gelukkig is niet voor iedereen zo’n dagje verplichte rust een straf!

Nadat de weergoden wat tot bedaren waren gekomen, maakten wij dat we wegkwamen naar Tholen. Met uitzondering van de frisse en rijkgesorteerde visman, wat absolute voordelen biedt, zijn wij niet zo dol op Tholen. Alle vier waren we de volgende morgen zielsgelukkig met de zon én met het zoete briesje, kracht 3. We spoedden ons naar de Bergse Diepsluis, die zich als op commando opende. Daar strekte de Oosterschelde zich in al haar schoonheid voor ons uit. Het werd een prachtige tocht; schitterende lucht boven ons en om ons heen al dat betoverende water, dat nooit zal vervelen! Vanaf sluis Hansweert (Kanaal door Zuid Beveland) veranderde het béétje regen in véél regen, stak de wind op en werd het koud. Onder aangename omstandigheden is de Westerschelde al veel water, maar met slecht weer…

Gelukkig kwam de wind uit goede hoek! En zo arriveerden wij bij de sluizen van Terneuzen. Enorme vrachtschepen waren ons reeds vóórgegaan en lagen afgemeerd hun beurt af te wachten. Dit beloofde niet veel goeds. Het werd wachten in de stromende regen, liefst drie uren lang. Slechts één sluis in gebruik en de grote jongens waren in zulk groten getale aanwezig, dat de luxe jachten slechts voor opvulling van de gaatjes in de sluis in aanmerking kwamen. Tegen vieren lukte het de Scomber 3 zich als laastste bij een overvolle sluis te persen. Met invaren, schutten, en uitvaren en weer terug was een uur gemoeid met gevolg, dat toen wij aan de beurt kwamen, we wéér een uur verder waren. Na al deze trammelant werkte het glaasje spiritualiën na afloop als een heilzaam medicijn.

Opgelucht
Met nog een vochtige lucht en slecht zicht zetten wij koers naar Gent. Bij de grensovergang hesen we de Belgische vlag en bereikten het havengebied. Tot zover verliep alles gladjes. We werden opgelopen door een groot vrachtschip. Plotseling zagen we een voor ons varend luxe jacht sterk naar het midden van het vaarwater gaan. De oploper naderde gestaag en week door deze manoeuvre meer en meer naar bakboord uit. Ondanks waarschuwingssignalen en oproepen via de marifoon wijzigde het jacht zijn koers niet. Wij keken allen verbijsterd en machteloos toe. Met nog slechts luttele meters afstand tussen beide schepen, week het jacht plotseling scherp naar stuurboord uit en was het gevaar geweken. We slaakten een zucht van verlichting. Dat was schrikken! De vrachtschipper gaf nog wat droogjes commentaar!

Onze twee scheepjes voeren rustig na dit intermezzo door naar sluis Evergem. Daar kochten we het vignet dat nodig is om de wateren van West-Vlaanderen te bevaren en om 15.00 uur lagen we in de Passantenhaven van de Vlaamse Pleziervaart Federatie afgemeerd. We bleven natuurlijk een dagje in Gent. Immers, naast het dagelijks onderhoud van het lichaam, heeft de geest zo nu en dan ook een opkikkertje nodig. Cultuur ligt in Gent voor het oprapen. Om je heen kijken en vooral omhóóg kijken naar de bijzonder mooie gevels is een must. Wij liepen even de Sint-Baafskathedraal in met het beroemde veelluik van Jan van Eyck (Het Lam Gods) en het Belfort. De Gentenaren hebben een spotnaam; ze worden Gentse stropdragers of kortweg ‘stroppen’ genoemd. Achter deze naam gaat een stuk historie schuil. In 1537 weigerde Gent aan keizer Karel speciale oorlogsbelasting te betalen. De keizer hoefde zich niet lang te beraden, hij strafte met harde hand: het was voorgoed uit met de onafhankelijkheid van de trotse stadstaat én de oproerlingen moesten in hemd en met een strop rond de hals, in stoet komen neerknielen en om vergiffenis smeken.

Na Gent volgde (door middel van tram en trein) een bezoek aan Brugge. Brugge is zo mogelijk nog meer dan Gent, één groot monument. Koetsjes getrokken door opvallend fitte paardjes gaven de stad nog groter decor. Oude huizen aan schilderachtige grachten, het Begijnhof, kerken, musea en niet te vergeten het Brugse kloskant zijn bepalend voor Brugge. De statige toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk rijst boven de poëtische reien (grachten), waar tot in de 15e eeuw handel werd gedreven, maar waar ook bloedige twisten werden uitgevochten. Een paar uur is natuurlijk veel te kort een stad van dit kaliber te bewonderen. Maar we werden zó ontaard moe van het geslenter, dat we het toch hierbij hebben gelaten.

Schelde
Terug aan boord was inmiddels de tijd aangebroken om te palaveren. Na de boeken te hebben bestudeerd, bleek dat de stroom van de Schelde totaal niet synchroon liep met onze wensen. Wilden we nog een beetje profiteren van stroom mee, dan moesten we om zeven uur vertrekken. En zo gebeurde het, dat op zondag 13 juli de wekker om tien voor zes afliep. Sluis Merelbeke stond wagenwijd open, het weer was mooi zonder een zuchtje wind. Het was een genot op deze prille zondagmorgen de Schelde te bevaren en het aanvankelijk smalle vaarwater te zien verbreden tot een flinke rivier. Tot tien over tien profiteerden we van het staartje stroom mee; bij Dendermonde werd de ommezwaai goed merkbaar, het tij keerde zich tegen ons. Jaloers zagen we een enkel tegemoetkomend vrachtschip met stroom mee ons voorbijdenderen…

De Schelde was – op weg van Brugge naar Lier – inmiddels zo’n 200 meter breed geworden en volgens de almanak behoorde een stroomsnelheid tot acht kilometer per uur tot de mogelijkheden. Bij Baasrode hielden we het met een dergelijk visioen maar voor gezien. De afmeermogelijkheden waren niet geweldig hier. Om bovendien het schip op stroom te keren en achteruit zonder kleerscheuren tegen de wal te leggen, kostte op zijn zachtst gezegd enige stuurmanskunst. Nadat het klusje geklaard was, was het boeiend te zien hoe snel de stroom versnelde, het waterpeil zakte en hoe vervolgens na verloop van tijd het water tot rust kwam om dan weer de andere kant op te gaan. De natuur is een waar wonder.

Ondiepten
De Schelde herbergt nog meer geheimen; door de harde getijstromen kunnen zich spontaan zelfs in de vaargeul ondiepten vormen; we kunnen er over meepraten! Op de hoogte van Branst loeiden plotseling de alarmschellen: nog maar 90 centimeter water. Onze beide schepen bogen scherp naar stuurboord naar dieper water. Zonder verdere ongeregeldheden bereikten we de Rupel en met goed weer kwamen we aan in Lier. Prachtige kade met water en stroom, wel ver van de stad.

Op Sluis Viersel, die toegang verleent naar het Albertkanaal, deed wel een heel bijzondere onvriendelijke sluismeester dienst. Bij een verval van ongeveer acht meter, liet hij een haak zakken. Omdat het te lang duurde naar zijn zin, eer wij de haak konden pakken, hees hij hem weer op en moesten wij maar zien waar we bleven. Aldus verging het ook de Scomber 3. Bij gebrek aan wat anders, bleef slechts de trap ons aanknopingspunt. Door vliegensvlug overpakken, kwamen we ongehavend boven. Op het kanaal van Herenthals ging het wat plezieriger met uitzondering van de sluismeester op nummer drie. Hij sommeerde ons het vignet óp het raam te plákken en niet áchter het raam te zétten. ‘En als ge het niet doet, komt ge de volgende sluis niet in’, zo stond hij te schetteren. Terwijl we nog druk bezig waren, begon hij opnieuw met: ‘Oh, doet ge het niet?’ Natuurlijk deden we het wél.

De sluismeester van het volgende kunstwerk had alvast heel gastvrij de deuren wagenwijd opengezet. Zijn collega had hem reeds opgebeld; hij moest er hartelijk om lachen. Na zevenenhalf uur varen en elf sluizen kwamen we aan in Lommel. Prachtige haven. Het redelijke weer van de laatste dagen had kennelijk lang genoeg geduurd. Regenkleding en zelfs laarzen waren weer noodzakelijk. Aldus gekleed zette de tocht zich voort via Weert naar Roermond, waarvandaan wij een uitstap over de weg maakten naar Woudrichem, teneinde de feestelijke doop bij te wonen van het nieuwe schip van de familie Groenenboom. Intussen wisselde de ene stortbui de andere af en liepen wij na twee dagen Roermond, compleet doorweekt de haven van Wanssum binnen, waar nog precies plaats was voor onze beide schepen in de uiterste hoek. Niet echt comfortabel, zelfs Maxi, ‘onze’ waakhond, raakte even uit het evenwicht. Positief was, dat we uitstekend gegeten hebben bij het Chinese Restaurant boven de haven.

Het wéér
Zonder enige vorm van spijt verlieten wij Wanssum en de Maas voerde ons naar Mook (Eldorado). Een riante plaats om te verblijven. Er bleef slechts één maar en dat was ‘het weer’. Continu regen en nog eens regen. Dit was ongetwijfeld de slechtste periode van onze vakantie. Ook bij ons vertrek van hier viel het water met bakken uit de lucht. Op een goed ogenblik echter begon het grijs stukje bij beetje te breken en werd het droog. Na het Maas-Waalkanaal stoomden wij om 12.15 uur met prachtig weer de haven van Nijmegen binnen en wat een zegen, vanwege het vroege uur was er nog voldoende ruimte om achter elkaar aan de steiger af te meren.

De volgende morgen worstelden wij ons opnieuw, nu tegen de stroom van de Waal in, naar het Pannerdens Kanaal, waarna wij bijna ongemerkt de Gelderse IJssel opgleden en oh, wat een genot, plotseling vooruitschoten. Wat spijtig toch, dat opnieuw het weer niet meewerkte. Met een klein zonnetje had alles in de natuur zo veel mooier geleken. Als troost werden we getrakteerd op een zwoele avond en voor het eerst in de vakantie konden we op het achterdek van de Scomber 3 in de haven van Doesburg deze uitzonderlijke gebeurtenis vieren onder het genot van een Grappa. Het was vierenhalf uur varen naar Hattum. ‘t Was warm! Er was niet voldoende tijd om het Nederlands, Brood- en Koekmuseum te bezoeken; de ‘Reuze’-krakeling liepen we dus mis!

Hattum – Kampen een tochtje van een uur, zonnig weer en een bijna lege Oude Buitenhaven.

Zoveel geluk op één dag én bovendien was er tijd om de stad te verkennen. Kampen was tot in de zestiende eeuw een leidende Hanzestad. Het heeft vele bezienswaardigheden zoals kerken en stadspoorten. Er is een Koggeschip te bewonderen en van de ooit bloeiende sigaren-industrie is nog één fabriek: de Olifant, overgebleven en te bezichtigen. Statige koopmanshuizen en smalle steegjes geven deze stad een duidelijk historisch stempel. Ons plan het IJsselmeer over te steken, haalde bakzeil. Het weerbericht was opnieuw slecht. Ter ontmoediging van onze stoute plannen en om de zaak extra kracht bij te zetten, kletterde de regen de gehele nacht op het dak met donderslagen als achtergrondmuziek. Het werden dus de Randmeren met Elburg als eerste stop. Het werd onverwacht héél warm, maar het bleef droog. De haven lag tjokvol. Met kunst-en vliegwerk kregen we de schepen tóch aangemeerd. Elburg is een mooi vestingstadje, heeft vele oude gebouwen en een zestiende-eeuwse omwalling met kazematten. Een rondwandeling is de moeite waard.

Zeewolde
Zeewolde hadden wij vanaf het water nog nooit bezocht. Goede reden om uit te vinden wat de stad aan accommodatie biedt. Wij kozen voor de middelste haven. Er was voldoende ruimte én stroom en in de onmiddellijke nabijheid van het centrum. Op de fiets peddelden we door de stad en door een mooi stuk natuurschoon. Heerlijke dag!

Via een laatste stop in Almere begonnen wij aan onze laatste dag. Deze dag kregen we tóch nog een stukje ruim water te bevaren. Helaas was het zicht over het IJsselmeer niet optimaal, doch de uitgezette koers bracht beide schepen feilloos bij de entree van onze hoofdstad Amsterdam. De Oranjesluizen boden toegang tot het IJ. Iedere keer weer bij binnenkomst in Amsterdam geeft dat een warm opwindend gevoel: Amsterdam ruikt anders, Amsterdam voelt anders! Terwijl wij onze tocht over het IJ en het Noordzeekanaal naar Kanaal C voortzetten, stortten als een soort afscheid nog twee tomeloze buien zich over ons uit, kort en krachtig. Na de schutting in Spaarnwoude voeren we met een heel gezelschap zeilboten door Haarlem. Haarlem, dat bij doorvaart door het Spaarne slechts een stukje van de sluier oplicht van zijn historische schoonheid. Wij kwamen ook deze keer weer ogen te kort. Om twee uur kwamen wij aan in de Spaarneborghaven te Heemstede, thuishaven van de familie Heijne Makkreel.

Dat was het dan. Wij houden de herinnering aan een buitengewoon gezellige, probleemloze vakantie.

Reacties zijn gesloten.